We hebben er geen potje voor, dus maken we er een potje van! -en dat kost geld...-

Eén keer per week staan ze aan de deur van mijn buurman, de politie. Ze hebben een melding gehad. De ene keer voor hem, de andere keer door hem. De meldingen gaan van geluidsoverlast en uitlokking tot agressieve uitspattingen. Inmiddels staat het adres dikgedrukt in het politie systeem en gaan ze met “gepaste” spoed op de melding af. Het is immers hun taak om op iedere melding in te gaan. Al 2,5 jaar duurt dit nu en de situatie wordt steeds slechter. Actie is nog niet ondernomen. Zou het straks écht mis gaan? En dan?

De kennis zit niet daar waar geld zit en de kosten ook niet

Sinds de decentralisatie binnen het zorgstelsel gaat de transitie gestaag de goede kant op. De nodige ontdekkingstochten van gemeenten lijken steeds vaker te leiden tot lokale zorginitiatieven, samenwerkingen en besparingen. Toch zijn we er nog niet. Met name het sociaal domein lijkt hieronder te lijden. Binnen het sociaal domein hebben gemeenten verantwoordelijkheden in de zorg en ondersteuning van hun inwoners, waaronder mensen met een licht verstandelijk beperking, zoals mijn buurman. De gemeente kent grote uitdagingen en budgettaire restricties, waardoor zij en zorginstellingen onder druk staan. In lijn met het zogenoemde ‘eigenkrachtbeleid’ bekijken gemeenten eerst wat hulpvragers zelf kunnen, alvorens zij zorg vergoeden. Bij licht verstandelijk beperkten is die eigen kracht vaak gering, maar zij komen vaak minder kwetsbaar over, wat hen een extreem complexe doelgroep maakt om goed van ondersteuning te voorzien. Om een inschatting van de zorg te maken is specifieke kennis nodig. Deze zit vaak wel bij de instellingen maar niet bij de gemeenten. Eerder dit jaar constateerden de samenwerkende inspecties voor de jeugdzorg een vergelijkbare situatie. ‘Gemeentelijke wijkteams, sinds begin dit jaar de toegangspoort tot de zorg, hebben weinig kennis over licht verstandelijk beperkten en kunnen de zelfredzaamheid van de doelgroep moeilijk inschatten’ zo schreven de inspecties.

Veel tijd van de politie gaat zitten in mensen met een (geringe) verstandelijke beperking of een psychische aandoening. Uit onderzoek blijkt dat 13% van politietijd op gaat aan dit soort casussen. Aan mensen die volgens ons systeem goed genoeg zijn om voor zichzelf te zorgen, maar die bedoeld of onbedoeld de buurt belasten.

Het gesprek tussen bewoners en betrokkene wordt niet gevoerd of zorgt voor escalatie, wat jaarlijks tot meerdere rechtszaken leidt. Mediators die vanuit buurtinitiatieven zijn ingeschakeld worden door de betrokkene gewantrouwd en dus geweigerd. De gemeente wijst naar de zorgaanbieders en de zorgaanbieders op hun beurt weer naar de gemeente of zelfs weer naar de politie. Een oplossing is niet in zicht.

Iedereen is betrokken, niemand neemt regie

In het geval van mijn buurman is het zo dat wij als buurtbewoners inmiddels contact hebben opgenomen met de gemeente over de zorgelijke situatie. De gemeente heeft dit serieus genomen en er is vanuit de burgemeester een formele waarschuwing gekomen richting de cliënt. Verdere acties en mogelijkheden liggen volgens de gemeente bij de politie & zorginstellingen, want daar zit de kennis. Hier ontstaat onduidelijkheid, want zorginstellingen hebben wel geld nodig.

De instelling, in dit geval de GGZ, heeft geen indicatie en geen ruimte om dergelijke cliënten op te vangen. En er is geen budget om dergelijke preventie vorm te geven. Wet en regelgeving is zo ingericht dat men uitgaat van zelfredzaamheid. De cliënt wordt gemonitord en af en toe wordt gevraagd of hij in zorg wil. De cliënt schat zijn eigen zelfredzaamheid zeer positief in, dus geeft aan geen behoefte te hebben. En dan zijn er geen mogelijkheden meer, want dan wordt er niet vergoed. Daarbij is het voor de zorgverleners ook wel fijn, want hun caseload is al veel te groot. De aansluiting van de zorginstellingen beperkt zich een vaak tot een lokale samenwerking met, of scholing van, de politie. Hoewel de instellingen wel op zijn verantwoordelijkheden worden gewezen door de gemeente, is er geen (gefinancierde) maatregel voor de problematiek.

Dit is ook wat ik merk. Rondom mijn buurman is er sprake van een goede samenwerking tussen de zorginstelling en de politie. Hierdoor is er contact en toezicht op de situatie van de cliënt. Ik herinner mij nog een telefonisch overleg met de verpleegkundige die een oogje in het zeil houdt. Deze gaf bij mij aan binnen de mogelijkheden van het huidige systeem over onvoldoende middelen te beschikken om de cliënt te helpen, vooral omdat deze zelf geen hulpvraag formuleerde.

 

Op het moment moet de politie nog steeds gemiddeld één keer per week met buurtbewoners en de cliënt in gesprek naar aanleiding van een melding. Meldingen wisselen, de ene keer belt de cliënt om 3 uur ’s middags de politie omdat hij overlast ervaart van een verbouwing bij de buren. De andere keer wordt de politie gebeld omdat de cliënt om 6 uur ’s ochtends op de deur van een buurman aan het stompen is, omdat hij boos is over iets wat in zijn VvE is afgesproken. De politie kan niks, behalve de toepassing van de “Opvang Verwarde Personen (OVP)”, als deze niet vol zit. De praktijk, ook in deze casus, is dat de cliënt na een screening bij de OVP wel een zorgadvies mee krijgt maar hier niets mee doet. Omdat hij vindt dat het niet aan hem ligt maar aan de omgeving beroept hij zich op het recht om hulp te weigeren. 

Buurtbewoners haken af of branden op

Naast het formele systeem lijdt ook het informele systeem, de woonomgeving, eronder. Buurtbewoners die iets verder van cliënt weg wonen zijn afgehaakt. Ouders instrueren hun kinderen de man te mijden en vertellen wat ze moeten doen als het fout lijkt te gaan. Directe omwonenden zitten in de knel. Zij hebben te maken met (dronken) agressie en nachtelijke overlast. De bewoners die in de VvE met de cliënt zitten moeten vanuit dat kader soms toenadering zoeken, bijvoorbeeld als er onderhoud gepleegd moet worden aan het pand. Een gesprek is niet mogelijk dus er worden slepende rechtszaken gevoerd, soms aangespannen door de VvE, omdat cliënt zijn (financiële) verplichtingen niet nakomt, soms door cliënt, omdat hij ervan overtuigd is dat men hem wil benadelen. Directe omwonenden zijn bang, vermoeid en voelen zich machteloos in deze situatie. Ook zij hebben behoefte aan ondersteuning maar die wordt niet geboden, voor hen is al helemaal geen potje. Er gebeurt niks en de situatie verslechtert. En de gemeente, zorginstellingen en politie, die kijken voor het gevoel van omwonenden alleen maar toe. 

Cliënt voelt zicht hulpeloos en in de steek gelaten

En de cliënt? Die heeft het idee dat hij de dupe is van alles. De gemeente is tegen hem, binnen de buurt wordt in zijn ogen geen rekening gehouden met zijn wensen, sterker nog… iedereen is tegen hem. Voor hem wordt alles steeds verwarrender en complexer, hij is boos, verward en krijgt alles niet meer op een rijtje. Zijn huishouden en financiële zaken versloffen, waardoor de situatie verder verslechtert en een neerwaartse spiraal draait de situatie steeds verder vast. En hulp, wil hij niet, want dat heeft hij niet nodig, die buurtbewoners zijn gek, ga daar maar hulp aan bieden is zijn overtuiging. Hij vertrouwt niemand meer. En dat al sinds het overlijden van zijn moeder, vele jaren geleden. Toen was er ook niemand voor hem. Hij klaagt over zijn buren bij de politie, maar die neemt hem niet meer serieus. De buurt onderhoudt geen contact meer met hem. Hij is boos en gefrustreerd, iedere dag een beetje meer. Het enige waar hij op kan terugvallen zijn inkomsten vanuit bijstand. En die gebruikt hij om alcohol te kopen, om te vergeten. Maar met een agressieve dronk komt dit de situatie ook niet ten goede.

Schotten zitten goede verbeterinitiatieven in de weg

Uit de casus blijkt dat er sprake is van veel wetgeving en een oerwoud van betrokken partijen. Tussen partijen zijn er schotten en is er geen duidelijkheid ten aanzien van rollen en financiering. De grootste inspanningen (en dus kosten) komen nu voor rekening van de politie, die ironisch genoeg (tegelijk met de decentralisatie van de zorg naar gemeenten) gecentraliseerd zijn, iets wat het dialoog tussen deze partijen moeilijker maakt. 

In de casus wordt cliënt op afstand in de gaten gehouden door iemand van een GGZ-instelling, gemeente, politie & reclassering. Hier blijft het bij, meer is niet mogelijk, gegeven wetgeving, financiën en caseload bij de GGZ. De vraag naar wat iemand nodig heeft lijkt te worden verdrongen door de wens om geen dure trajecten aan te bieden. Er is immers maar een beperkt budget. En juridische procedures om te komen tot gedwongen zorg? Daar begint men helemaal niet aan, want dat kost nog meer tijd en nog meer geld. En de cliënt, diens gezondheid en de buurtbewoners en hun gezondheid zijn de dupe van deze nieuwe aanpak in het sociaal domein. Er zijn dus eigenlijk alleen maar verliezers.

De situatie blijft bestaan en verslechtert. De buurt is het zat, de cliënt wordt steeds bozer en er gebeurt niks. En deze situatie is geen uitzondering, maar slechts een voorbeeld van situaties die ontstaan als er voor cliënten geen potje geld is…dan maken we er een potje van.

Waar gaan we wél de aansluiting vinden?

De situatie die is ontstaan in het sociaal domein kan ik helaas in één blog niet oplossen. Ook heb ik niet langer het vertrouwen dat de situatie uit de casus nog ter positieve gaat veranderen, hiervoor gaat verandering te traag. Wél zien we regionaal gelukkig steeds vaker samenwerkingsverbanden ontstaan tussen zorginstellingen, gemeentes, politie en justitie om met dergelijke situaties om te gaan. Succesvoorbeelden van Regionale initiatieven verdienen aandacht alleen zijn vaak op een laag niveau om een individuele casus heen georganiseerd en dus erg kostbaar. Ketensamenwerking lijkt de oplossing. Gezamenlijk op zoek naar de oorsprong van problematiek binnen het sociaal domein en gezamenlijk op zoek naar de beste, meest rendabele oplossing.

Een voorzetje, voor het dialoog van mij persoonlijk tot slot. Ik denk dat je een situatie zoals uit de casus kunt voorkomen door eenzame mensen met een afstand tot de samenleving eerder op te vangen, ook als ze dit in eerste instantie zelf niet willen. Door hen in beeld te houden en preventie te bieden in de eerste lijn. Misschien hadden we deze eenzame man, die er alleen voor kwam te staan toen zijn moeder overleed wel kunnen helpen met warme aandacht en een beetje begeleiding. Dan was hij wellicht nu onderdeel van de buurt en de samenleving. Als we daar een potje voor maken, dan hoeven we er niet langer een potje van te maken en levert het uiteindelijk meer op. Meer plezier voor cliënt en omgeving en minder kosten en frustratie voor eenieder.

Auteur(s):

Rogier Kelderman