Netwerksamenwerking in het zorglandschap: Omarm de complexiteit
Binnen het zorglandschap wordt al geruime tijd flink ingezet op netwerksamenwerking, het overbruggen van schotten tussen zorgdomeinen en tussen zorg en welzijn en het versterken van de infrastructuur op regionaal en op wijkniveau. Zorgorganisaties, zorgverzekeraars, welzijnspartijen en gemeenten zitten steeds vaker met elkaar om tafel. Deels gebeurt dat van onderop, deels wordt dat gestimuleerd vanuit landelijk beleid; denk aan: IZA, AZWA, MGN’s, stevige lokale teams, Welzijn op Recept en eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV). Dit zorgt voor veel afstemming op bestuurlijk, ambtelijk en uitvoerend niveau.
Netwerksamenwerking in zorg en welzijn wordt graag verkocht als iets vanzelfsprekends. We hoeven het alleen maar goed samen te doen, met meer afstemming en meer verbinding. Maar daarmee werkt het nog niet vanzelf. Netwerksamenwerking is geen lichtgewicht organisatievorm. Het is werken in een systeem vol tegenstrijdige belangen, andere en verschuivende financieringsstelsels, verschillen in professionele standaarden, bestuurlijke drukte en structurele schaarste.
Het is positief dat partijen steeds meer elkaar taal leren spreken en elkaar weten te vinden, maar de praktijk is nog steeds complex. Een paar eerlijke observaties uit de praktijk als adviseurs van netwerksamenwerking.
Een paar eerlijke observaties uit de praktijk:
1. Complexiteit vraagt tijd vóór vaart
Bij complexe samenwerkingsopgaven loont het om eerst langzaam te gaan. Investeren in het diep doorgronden van het systeem – financieel, juridisch, historisch en stelsel – voelt soms als vertraging, maar betaalt zich later altijd terug. Tegelijkertijd staat dit onder druk omdat er KPI’s en mijlpalen gehaald moeten worden om de financiering te verkrijgen.
2. Het speelveld verandert onderweg
Financierings- en stelselpartijen wijzigen soms in het proces hun kaders, eisen of interpretaties. Dat betekent dat het speelveld niet stabiel is. Wie netwerksamenwerking aangaat, moet dus niet alleen flexibel zijn, maar ook scenario‑denken ontwikkelen. Wendbaarheid is geen luxe, maar een randvoorwaarde.
3. Iedereen kijkt vanuit zijn eigen logica, en dat is logisch
Iedereen neemt zijn eigen bril mee de samenwerking in. Gemeenten, zorgaanbieders, welzijnsorganisaties en financiers kijken vanuit verschillende logica’s, verantwoordelijkheden en financiële prikkels. Dat verdwijnt niet door ‘meer begrip’, maar vraagt actief werken aan vertaling en expliciet maken van belangen.
4. Bestuurders verdrinken in overlegstructuren
De hoeveelheid overlegstructuren groeit snel in netwerken. Daardoor ontstaat een paradox: bestuurders nemen besluiten, maar overzien nauwelijks nog waar ze precies over beslissen. Geregeld zitten bestuurders vanwege ‘de governance’ op één dag in meerdere stuurgroepen met grotendeels overlappende samenstelling te overleggen over vergelijkbare en aanpalende maatschappelijke vraagstukken. Zonder scherp procesontwerp en heldere besluitvorming vervaagt eigenaarschap.
5. Netwerksamenwerking is geen heilige graal
Niet alles is op te lossen in netwerken. Soms zijn systeemingrepen van buitenaf nodig; bijvoorbeeld in bekostiging of indicatiestelling. Sommige zorgvragen kunnen door domeinoverstijgende samenwerking ‘afgebogen’ worden naar het sociaal domein. Soms vraagt een overschrijding van zorgkosten en wachttijden om een systeemingreep; welke zorg wordt nog wel vergoed en welke niet meer. En intensieve uitvoeringsprocessen vragen vaak óók om een (gezamenlijke) uitvoeringsorganisatie. Dit zien we bijvoorbeeld bij de Mentale Gezondheidsnetwerken (MGN’s) waarbij ggz-professionals en welzijnsmedewerkers samen verkennende gesprekken voeren met inwoners. Dat vraagt veel organisatie en coördinatie om gesprekken te plannen, te registeren, te ondersteunen met een voor alle netwerkpartners passende digitale infrastructuur en nauwgezette monitoring van aantallen gesprekken en de effectiviteit hiervan passend bij de systeemeisen van de zorgverzekeraar. Bij opschaling van aantallen raakt dat aan de grenzen van wat effectief te organiseren is in een netwerkverband, waarbij het primair proces van de netwerkleden zelf altijd prioriteit heeft. Netwerkdenken moet daarom geen dogma worden.
6. Vergeet de ‘kleine’ partijen niet
Netwerken hebben een natuurlijke neiging zich te richten op kernspelers. Juist de kleinere partijen, met minder capaciteit en minder stem, kunnen onbedoeld vertraging veroorzaken als ze niet goed worden meegenomen. Aandacht en energie moeten bewust verdeeld worden. Wat voor een grote zorginstelling of grote gemeente een kleine afspraak is, kan voor een kleinere gemeente of zorginstelling juist veel impact hebben.
De beweging die nodig is om netwerksamenwerking succesvol te maken
- Van programma naar proces
In netwerksamenwerking volstaat een strak uitgewerkt programma met vaste doelen, mijlpalen en einddata vaak niet. De werkelijkheid is dynamischer. Daarom is het helpend om te werken vanuit een proces dat ruimte biedt om bij te sturen wanneer inzichten, belangen of randvoorwaarden veranderen. Niet alles vooraf vastleggen, maar onderweg richting blijven geven. Cruciaal hierbij is dat de financier in dit proces ook blijft meebewegen, met het oog op het behalen van maatschappelijke doelen. - Van pilaar naar platform
Zorg, sociaal domein, gemeenten en financiers hebben elk hun eigen verantwoordelijkheden en logica. Dat is begrijpelijk, maar kan samenwerking in de weg staan. Platformdenken helpt om perspectieven te verbinden: meerdere domeinen dragen bij, het eigenaarschap is gedeeld en de gezamenlijke opgave staat centraal. - Van perfectie naar pragmatisch
De zoektocht naar het ideale model, de optimale governance of een volledig uitgewerkt ontwerp kan leiden tot vertraging. Pragmatisch werken betekent keuzes maken die voldoende houvast bieden om verder te komen, breed genoeg gedragen worden en in de praktijk kunnen worden aangescherpt. Onze ervaring is dat de meest succesvolle netwerksamenwerkingen tot stand komen door partijen die de durf hadden om te beginnen en vanuit de eerste ervaringen de randvoorwaarden nader te bepalen. - Van pilots naar permanent samenwerken
Pilots bieden ruimte om te experimenteren en te leren, maar blijven soms te lang tijdelijk. Bij complexe opgaven is het belangrijk tijdig na te denken over wat blijvend nodig is: structurele financiering, duidelijk eigenaarschap en duurzame inbedding in de bestaande praktijk. Vooral het aansluiten bij bestaande initiatieven blijkt succesvoller dan vanuit het niets iets nieuws in te richten.
Auteur